Erfgoed in Banholt

Grotestraat 3 te Banholt

Voormalige stroopstokerij bleek eeuwen ouder dan gedacht

Oudere Banholtenaren weten nog dat het pand Grotestraat 3 het voormalige ‘sjroepes’ (‘stroophuis’ = stroopstokerij) van Pierre Deckers is. Pierre was de laatste ‘loonstoker’ van Limburg, iemand die voor particulieren stroop van hun eigen fruit stookte. Gerard (Sjirra) Slenter, geboren in 1934, weet nog goed hoe zijn vader en moeder jaarlijks aan het einde van de zomer bespraken hoeveel stroop voor het komende seizoen gemaakt moest worden. Doorgaans werden er vier of vijf ‘baren’ (hoge aardewerken potten van circa dertig liter) gevuld. Met paard en karwagen bracht vader de appels en een kleine hoeveelheid peren van de eigen oogst en de lege baren van Terlinden naar Pierre. ‘Bij binnenkomst in het sjroepes’, zo herinnert Sjirra Slenter zich, ‘bevonden zich aan de rechterkant twee heel grote roodkoperen ketels, die op een haardvuur stonden. Een stenen trapje leidde naar beneden voor het stoken van de haarden met brandhout.’ In de ene ketel werd het fruit urenlang gekookt. Daarna ging de inhoud van de ketel in een pers met een grote bak. Bij het persen werden zware juten doeken gebruikt om het sap van de pulp te scheiden. De doeken hingen na het schoonmaken over de haag langs de kant te drogen. Het sap ging in een tweede ketel om in te koken tot stroop. Het was de kunst om de ketel op het juiste moment van het vuur te halen. De ketel was voorzien van grote ringen die met een ketting aan een zware draaibare balk bevestigd konden worden om zo te verplaatsen. Vervolgens werd de nog hete stroop in de baren gedaan.

Auteur: Frank Hovens

Buurman Sjengske Senden (1934- 2017) herinnerde zich nog hoe Pierre Deckers het hele jaar door om zeven uur ’s ochtends begon met het zagen en klieven van hout, dat zowel voor het sjroepes als voor de kachel in huis gebruikt werd. Ook herinnerde hij zich dat de pulp in de ‘kitschebak’ (kitsch = klokhuis) achter de stroopstokerij werd gedaan om aan zijn dieren ,een koe, drie schapen en één varken, te voeren. Bij veel stroopproductie kregen de leveranciers van het fruit pulp mee voor hun vee.

Toen de huidige eigenaren het pand kochten, werd verteld dat het aan het eind van de negentiende eeuw gebouwd was. Over die datering rezen al snel twijfels. Vooral de grote ronde mergelkelder met een vier meter diepe put deed anders vermoeden. Nadat alle schrootjes, vloerbedekking, hardboard, tempex, betonsteen en ander inferieur bouwmateriaal was verwijderd, kwam een geheel intact vakwerkspant tevoorschijn. Het gehele houtskelet bleek voorzien van telmerken en verbindingstekens die de bouwlui vroeger gebruikten bij het ineenzetten van de constructie. Meest imposant was de acht meter lange ankerbalk van het derde spant. Meer kennis was nodig vooraleer aan een verbouwing begonnen kon worden. In overleg met de vereniging Ambachshoes werd besloten een dendrochronologisch onderzoek uit te voeren. Uit dit ‘jaarringenonderzoek’ bleek dat het merendeel van het (eiken)hout uit 1555 stamde. Een enkel stuk werd zelfs op 1498 gedateerd. Het huis bleek hiermee het oudst bekende vakwerkpand op het Plateau van Margraten te zijn. Deze ouderdom vereiste een restauratie met respect voor de geschiedenis. Deskundigen van Ambachshoes voerden een bouwhistorisch onderzoek uit. Daaruit bleek onder meer dat het pand eertijds haaks op de straat stond, en niet parallel zoals nu het geval is. Rond 1870 is de nok van het pand gedraaid en veranderde de kopse gevel in een langs gevel die bovendien werd versteend.

In 1917 kreeg het pand een nieuwe bestemming, namelijk slagerij en stroopstokerij. Aan de oostzijde werd de gevel verlengd en kwam een poort, met daarachter het sjroepes. Het benodigde bouwmateriaal was vrijgekomen bij de ingrijpende restauratie van het kasteel in Mheer. Een mooie rijke eiken deur met raamkozijn en een geheel in veldbrandsteen opgetrokken achtergevel getuigen ervan.

Tijdens de bevrijding in 1944 is het huis, met de daarbij horende stroopstokerij meerdere malen getroffen door kogels en granaten. De buurman vertelde ‘dat er geen raam meer heel was. De muren zaten vol gaten en de poort lag geheel in puin’.

Auteur: Paul Smeets